BOEKEN

 

Een boek. De verschijningsvorm heeft veel weg van een portefeuille, en dat is het ook, letterlijk, een papierdrager, met dat verschil dat de bankbiljetten zijn vastgelijmd. Er valt niets uit te geven, er valt iets vast te houden. Aan een goed boek kan je schudden wat je wil: de blaadjes, veiligheidshalve afgebiesd met kapitaalbandjes, vallen niet uit de boom. Tekst als kapitaal, met hoofdletters.

Even iets anders. Neem mij, als tekenaar. Tekenaars kijken met argusogen naar schrijvers. Bij een willekeurig woord als bos schieten bij de lezer de bomen uit de grond. Als tekenaar ben ik dan pas bij de aanzet van de stam van mijn eerste boom, er is niet tegenaan te werken: de wereld die een bladzijde, een zin, zelfs een woord kan oproepen. Die waarde, het geloven in woorden, nog meer dan in bankbiljetten, de zak goud kan dicht blijven, woorden zijn dekking genoeg; onze verbeeldingskracht doet de rest.

Is het enige goede boek een dicht boek? Op het eerste gezicht zeker. Twee schelphelften, misschien wel tussen twee paarlemoeren schutbladen, waarin het kunstwerk, de schat, op ons wacht. Dat boeken vroeger daadwerkelijk op slot konden, kluizen waren, impliceert een schat die bewaard moet worden. Tenzij de buitenwereld beschermd moet worden, tegen gevaar, misschien zelfs besmetting.

Zijn boeken niet eigenlijk autisten, met contactvrees? Kan een boek wel uit zijn woorden komen? Waar andere kunstvormen zich te buiten gaan aan uitstraling: denk aan film of muziek, of zich in ieder geval direct blootgeven, zoals een schilderij of een toneelstuk, daar kruipt het boek in zichzelf weg. Het geschrevene zit als het ware gevangen tussen twee deuren, de platten, het voor- en achteromslag.

Het woord open slaan alleen al, vooral in combinatie met een gebonden boek: wreder kan al bijna niet. Bij een in leer gebonden boek zie je de ijzeren pinnen er al uitsteken, bij wijze van spreken.

Ligt dat nu aan mij, dat de bladzijden van een opengeslagen boek doen denken aan vrouwendijen? Waarom heet een snee een snee? Als klein jongetje kwam ik al niet bij van een term als ingenaaid; oversekst of niet: de onbeschermde bolling van een opengeslagen boek doet onmiskenbaar kwetsbaar, menselijk aan, en tegelijkertijd is het alsof een vogel met gespreide vleugels is neergestort. Ooit heb ik een tekening gemaakt van vliegende boeken boven een stille zee bij maanlicht: een sprookje, waar je in gelooft.

 Waar schuilt cultuur, beschaving, beter dan in een beschermde omgeving? Het boek als patiënt in zijn isloleercel, en de lezer als geneesheer-directeur, die bereid is het drama aan te horen en zich dieper en dieper in het geval verliest. Iedere patiënt, elke tragedie in afzondering, maar wel warm tegen elkaar aan, de boekenkast als longstay complex, de patiënten keurig in gelid, altijd bereid om zich op afroep door de dokter te laten bevoelen en besnuffelen. Het is de literatuur, die van alle kunstvormen het minst extravert is, zich niet wil opdringen en daar een ideale dwangbuis en dito dagopvang voor heeft gevonden.

Wat zich onttrekt aan de wereld, wordt daarmee zelf een eigen wereld; dat is de kracht van de afzondering, van een boek: een gecomprimeerde, in zichzelf gekeerde werkelijkheid, zwarte tekens in de sneeuw, een spoor dat gevolgd moet worden.

Een boek kortom, is een huis dat wordt bewoond. Of de ingezetene nu Anna Karenina of Dorbeck heet, wie een open boek als een omgekeerde V op tafel zet, ziet het meteen: een zadeldak; de ronde rug s niets anders dan een nok, titelpagina’s niets anders dan naambordjes, hoofdstukken niets anders dan vertrekken. Kamer na kamer leer je de bewoner beter kennen. Een boek is een teksthuis, de vorm versterkt de inhoud, dat is de kracht.

Aandoenlijk is ook dat het bouwwerk zich voegt naar de lezer. Niet dat het na verloop van tijd ezelsoren krijgt of vanzelf open gaat liggen, ik bedoel dat het bedeesd is en op een bepaalde manier huisdierachtig, dat het zich op elk moment laat oppakken en de lezer het gevoel geeft dat op hem werd gewacht.

Zo zal je, bij het afbreken van een muziekstuk, er niet aan denken de cd-speler weer aan te zetten op het moment van uitzetten – trouwens: dat kan met een cd speler helemaal niet, het kon wel met de pick-up, waarbij de naald de plaat als het ware afwond, en zelfs bij een film kan pauzeren maar binnen een bepaald tijdsbestek, maar bij een boek vormt dat eigenlijk geen probleem. Hoe vaak slaat de directeur van de boekenkast niet een willekeurig dossier open om even een passage op te zoeken? Een soort bungeejumpen, maar dan in de letteren. Bij mij komt het voor dat ik niet meer terugveer, maar op de bodem van het boek blijf liggen tot het voor de zoveelste keer uit is.

Ik geloof dan ook niet in boeken die je aan en uit kunt zetten. Bevroren leitjes die in ijs gevangen teksten laten zien. Boeken die niet meer bestaan zodra je de stekker eruit haalt. Van die gladde, onpersoonlijke opvangcentra waarin de ene tekst de andere wegdrukt. Die je niet kan ruiken of voelen en die al helemaal niet aan vrouwendijen, onderdak of vogels doen denken. De rechtvaardigheid eist een kast vol e-readers, een voor elke titel. Elk boek verdient een rug.

Al met al is er geen excuus om niet zelf een echt boek te maken. Het papier alleen al; het scheppen daarvan is een wonder. Reve zou zeggen: papiervissen is een bezigheid waar genade op rust. Uit een onderwatersneeuwstorm worden vlokken op een lekke bakplaat omhoog gehesen, gedroogd en wat eerst nog een school dwarrelende sneeuw was, heeft zich dan gemummificeerd, zonder weefgetouw of nietmachine tot een strak vel aaneen gehecht, waarop het wonder beschreven kan worden. Vissers zijn niet voor niets heilige mannen, wat ze ook omhoog halen.

Goed idee voor in de huiskamer: geen goudvis in een kom, maar een aquarium met pulp, waaruit de moeder van het gezin iedere avond een velletje schept voor de boodschappen van de volgende dag.

De uitvinding van de boekdrukkunst doet daar ook aan denken, aan een wonderbare visvangst, een goddelijke vermenigvuldiging, maar dan menselijk en dus verkeerd: zoals Laurens Janszoon Coster: iets laten vallen en daarna de afdruk oprapen.

Dat sommige mooimarginaalwerkschuitdrukkers graag vies doen met inkt moeten zij weten. Voor snelle jongens zijn er laserprinters die haarscherp ieder gewenste lettertype kunnen drukken; het binnenwerk mag geen probleem zijn. Een paar velletjes op elkaar, en het begin is er.

Nee, wat ik iedereen kan aanraden en waar het op aan komt is een cursus boekbinden. Boekbinden is net zoiets als koken: een beetje van dit, een ingrediëntje van dat, moeilijk is het niet, secuur werken en de keuken schoonhouden, of je nou bloem bindt of een boek, maar het resultaat is voedsel voor jaren, een hoofdgerecht. Wat doen al die koks op televisie als er ook boekbinders bestaan? Die schreeuwen niet zo hysterisch boven hun bindwerk, dat verklaard veel.

Werkelijk niets gaat boven het opdienen van uw eigen boek. Vooral niet als er ook nog Michelinmannetjes zijn, die er sterren voor geven en u opnemen in hun gids. En er dan ook nog een reizend circus omheen bedenken, dat nu in Haarlem haar tenten heeft opgezet. Met wilde boeken die zo zeldzaam zijn dat je ze anders nooit ziet. Ik vraag dan ook een applaus voor de Michelinmannetjes van het exquise en verfijne boek, de organisatoren van Mooi Marginaal.

 

Joost Veerkamp

 

Rede, uitgesproken bij de opening van de reizende tentoonstelling “Mooi Marginaal” in het Noordhollands archief, 11 maart 2011.