De Avonden, woensdag 14 december 2005 20:02 747 AM

 

Het Moment van Gijs Groenteman

Gewapend met een microfoon en een kookwekker spreekt Gijs Groenteman exact twaalf minuten met iemand over de belangrijke vragen van leven, kunst en sport. Hieronder het geredigeerde gesprek met Joost Veerkamp over de vraag ‘Wat is een lijn?’.

Met dank aan Jon van den Berg

 

– Meneer Veerkamp, wat is een lijn?

– We hadden een voorgesprekje moeten houden, Gijs. Bedoel je een lijn als streep?

– Ik zal het uitleggen. Zoals iedereen een eigen handschrift heeft, heeft een tekenaar ook een eigen lijn.

– Ah, je bedoelt lijnvoering. Dun-dik verloop.

– U heeft een onmiskenbare eigen lijn.

– Juist niet! Luister, mijn pen heeft een bepaalde lijndikte. Als je die op papier zet, en hard drukt, ga je door het papier heen en maak je gaten in de tafel. Met de lijndikte gebeurt niks.

– Uw voorkeur gaat uit naar een lijn die altijd dezelfde dikte heeft?

– Ik  wil niet dat er emotie in een lijn zit. Het is goedkoop om emotie in een lijn te leggen. Dat stoort me.

– Kunt u een tekenaar noemen die lijnen gebruikt waar naar uw zin te veel emotie in zit?

– Neem Guust Flater. De manier waarop Guust Flater getekend is, alsof je een burijn in een kopergravure…

–  Wat is een burijn?

– Een burijn is een beiteltje. Een kopergravure maak je met een burijn. Die steek je voorzichtig, dun, in het koper. De lijn verbreedt zich gaandeweg en met het uitsteken van de burijn neemt de lijndikte weer af.

– Naar het midden toe wordt de lijn dikker?

– Alsof je met een kroontjespen schrijft.  Zonder druk beginnen, halverwege verzwaren en zonder druk aan het eind van het papier los laten komen, dan krijg je zo’n soort effect. Het is een effect.

–  Effectbejag, zo’n lijn.

– Ja. Je kan je ook voorstellen dat als je zoiets met krulletjes doet, zo suggereer je snelheid. Niet een goed getekende krul achter een rijdende auto, maar eigenlijk een soort gratis…

– Effectje…

– Ik moet er niets van hebben.

– Dus Franquin, de tekenaar van Guust Flater, vindt u om die reden een verwerpelijke tekenaar.

– Het doet mij denken aan een Cobraschilder die met grote halen een vlak vult.

– U houdt van vakkundigheid. Niet van luiheid, laat ik het zo zeggen.

– Luister, een lijn van Mondriaan is ook een lijn. Een industrielijn, uitsluitend een compositorisch element. Een lijn zonder emotie. Mondriaan experimenteert met de plaatsing. Dat heeft een eerlijker meerwaarde.

– U bent een beetje van de De Klare Lijn school, een woord dat geloof ik, door Joost Swarte is bedacht... klopt dat?

–  Ja, daar hoor ik bij.

– Toch is uw lijnvoering duidelijk te onderscheiden van die van bijvoorbeeld Hergé of Joost Swarte. Uw tekeningen zijn totaal anders, terwijl jullie eigenlijk dezelfde emotieloze lijn gebruiken. Hergé nog het minst van jullie drieën.

– Absoluut waar. De kroontjespen van Hergé verraadt zich: aanzet, dik middengedeelte en een dunne afzet. Joost Swarte moet het hebben van de dikte van zijn lijn. En ik ben consequent. Ik houd één lijndikte aan, mijn hele leven al.

–  Welke dikte is dat?

–  Ik gebruik een Rotring 0,7. Dat is mijn lijndikte. Het ligt er uiteraard aan wat de uiteindelijke vergroting is, eigenlijk is het een kleine millimeter. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Siegfried Woldhek, hij hanteert een heel fijn lijntje, bijna onzichtbaar. Joost Swarte heeft de neiging om Dick Bruna achterna te gaan. Die stopt zoveel volume in die lijn, dat zijn tekeningen als het ware gaan staan. Een soort vieze sokken. Op zich ook weer een effect. Van zijn tekeningen blijft zonder lijn niets over. Effect-bejag, echt schandalig. Dick Bruna is onze bekendste tekenaar, heeft nog een museum ook. Het is onwaarschijnlijk.

–  U vindt dat eigenlijk een smet op het vak van tekenaar…

– Het is een gimmick. Slim doordacht effectbejag waar hij moeilijk over doet en dat misdadig eenvoudig in elkaar zit…

–  Mensen die hem bewonderen zullen juist zeggen dat het juist knap is dat hij met zulke eenvoudige middelen zo’n groot effect kan sorteren.

– Vaak hoor je Nederlanders zeggen dat als iets simpel is, het goed is. Dat hoeft niet waar te zijn. Op zich al een simplificatie die niet deugt.

– Ik begin het idee te krijgen dat u het zichzelf eigenlijk het liefst moeilijk maakt. Is dat consequent volhouden aan die 0,7 diktelijn, om uzelf zo weinig vrijheid te geven andere lijnen en diktes te gebruiken, eigenlijk iets om uzelf te pijnigen?

– De essentie van een tekening is niet de lijn alleen. De lijn is maar één stijlmiddel tussen vele.

– U vindt dus eigenlijk dat als je teveel gaat variëren met lijndikte je daar teveel de nadruk op legt, op de lijn?

– Je moet de lijn als effect uitsluiten, alleen met de tekening bezig zijn. De tekening bepaalt welke lijn bruikbaar is. Dat lijkt me een eerste vereiste. Wat een lijn moet uitdrukken, of een lijn spanning heeft of juist niet. Een gebogen lijn tegenover een rechte lijn, roept dat iets op? Dat is essentiëler dan de lijn op zich. Of die wel mooi genoeg is of niet. Daar wil ik niets mee te maken hebben. Daarom gebruik ik maar één dikte.

– Nog even over Dick Bruna, die gebruikt toch ook één dikte?

– Neem glas in lood. De lijndikte van het lood is essentieel voor de productie: anders flikkert het raam uit elkaar. Daarbij is het ook nog mooi.

– Dikte moet een functie hebben, een soort functioneel bloot. Functioneel dik.

– Juist! Maar niet als effect. Stel je voor dat je een gebrandschilderd raam zou maken en je zou daar van die hele dikke contouren, alsof het een glas in lood… Dat is weer effectbejag. Dan doe je iets na. Dan is het kitsch.

– Blijkbaar is een dikke lijn zoals Dick Bruna die gebruikt en in iets mindere mate Joost Swarte meer effectbedrag dan als je 0,7 millimeter gebruikt. Ik snap dat toch niet waarom een dikkere lijn per se meer effectbejag zou zijn dan een dunnere lijn.

–  Kijk, de omtrek van een vorm bestaat niet. De contour is een prachtig stijlmiddel, maar kunstmatig. Je tekent iets wat niet bestaat, in tegenstelling tot wat een schilder neerzet. De contour op zich heeft grote kracht. Maar van een lullige tekening met een krachtige contour vraag ik mij af: blijft het in wezen niet een lullige tekening? Laten we ons in de luren leggen door de kracht van de contour?

– Van Nijntje, met die twee oren…

– Ik vind het niet erg dat Bruna lullig tekent, maar hij moet er niet een heel verhaal omheen hangen dat het zo moeilijk is dat hij de hele ochtend aan twee oren zit te tekenen, dat gaat er bij mij niet in. Dan kan je namelijk niet tekenen.

– Toen men een museum voor hem wilde, had hij dat gewoon moeten weigeren, hij had moeten zeggen: prima dat ik hier miljoenen mee verdien, maar op het moment dat jullie het Dick Bruna museum gaan openen, gaat mij dat te ver, gezien mijn lijnvoering.

– Dat is me uit het hart gegrepen, echt.

– Ja, ik parafraseer u, dat klopt.

– Dat is eigenlijk wat ik had willen zeggen in deze twaalf minuten: geen museum voor Dick Bruna!

– Een laatste vraag, ik kan het niet laten. Welke tekenaar hanteert de ultieme lijn?

– Goede vraag. Een tekenaar die al een eeuw dood is: Winsor McCay. Begin 1900, Art Nouveau. Dat is dé tekenaar. Een betere zal er nooit komen.

– En zijn lijn is formidabel…

– Formidabel, praktisch en daarom prachtig.