Papierformaat 60 x 80, oplage 250, gesigneerd en genummerd.
Prijs losse prent: € 145,-.
Prijs ruim ingelijst in lijst formaat 70 x 90, inclusief passepartout met extra kaderrand: € 225,- Of, krapper ingelijst, formaat 60 x 80, compleet: € 215,- . De prent is desgewenst ook aanzienlijk groter, met Frans passepartout te verkrijgen.
Prijs inclusief BTW, exclusief verzending.

DE GEBREIDE STAD

Er was een tijd dat architecten medelijden met ons hadden. Die vonden dat je een argeloze reiziger bij de eerste stap op een stationsplein niet kon confronteren met één enkel gebouw dat het zicht op de stad wegnam.

Wie, komend uit het Centraal Station van Amsterdam, de Beurs in het vizier krijgt, ziet hoe subtiel deze visie door Berlage in praktijk werd gebracht. De gesloten, naar het station gerichte achtergevel, wekt de schijn uit een rij grachtenpanden te bestaan; een soort bouwkundige mimicry. Normaliter bestaat een stad uit gebouwen, maar het andere uiterste, een gebouw dat bestaat uit stad, vinden we in Leiden. Het huidige Bonaventuracollege, het eerste ontwerp van Dudok, lijkt zelfs nog andere verwijzingen in zich te verenigen.

Fascinerend is de onwil van Dudok, althans in het begin van zijn carrière, om een strakke gevel vorm te geven. Of een dak uit één stuk. Inspringen, uitstulpen: Dudok’s gebouwen willen in die tijd nog aan alle kanten uitbreken. Heden ten dage wordt dergelijke architectuur beschouwd als traditioneel, detaillistisch, een raam hoeft maar een roedeverdeling te hebben of het refereert aan Anton Pieck, maar begin twintigste eeuw werden de gebouwen van Dudok door velen kaal gevonden, koud en modern.

Neem het Bonaventuracollege. Met de dominante hoek, daar waar beide gevels elkaar raken, gebeurt – hoegenaamd niets. In dit verband is het interessant een later project van Dudok, de Snelliusschool in Hilversum, te vergelijken met de school uit Leiden. De Snelliusschool is ook een L-vormig gebouw, later ontstaan, en jawel, met gladde, uniforme gevels. Echter: waar ze elkaar raken, bolt de hoek naar buiten, lijkt het gebouw intern te exploderen. De hoek is het gewricht waaraan de knoken hangen. Dat werpt de vraag op: heeft Dudok zich ingehouden bij het ontwerpen van het Bonaventura college?

Laten we de school van dichterbij bekijken. Die ziet er ook wat knokig uit, robuust, zelfs borstweringachtig, met zijn versterkte hoeken. De uitkragingen in de gevel zijn, in verhouding met de grootte van het gebouw, niet groot, maar bepalen subtiel het aanzicht. Het lijkt zelfs alsof de gevel op sommige plekken een dunne zomerjas aan heeft, en op andere plekken een winterjas. Ook de versiering ervan wijst op (aan)kleding. De met lichter speksteen afgewerkte top van tuitgevels heeft de vorm van een kraag. De spekstenen daaronder, die aan weerszijden de aanzet van het dak accenturen, lijken op manchetten die uit de donkere jas van baksteen steken. Kijken we nog dichterbij, dan zien we ribbels, patronen: een soort Noorse trui. Gebreid metselwerk: het aantal borduursels en motieven is, hoewel ingetogen, talrijk. Ook aan sieraden is gedacht. Als een armband, of beter: als een gordel, wordt het gebouw rondom in toom gehouden door een, tussen gemetselde penanten, gesmeed ijzeren hekwerk. Als een bedelarmband waaraan niet alleen twee uilen hangen, maar waarvan de sluiting geaccentueerd werd door een lichtornament, dat helaas niet meer bestaat.

Uit hoeveel gebouwen bestaat deze school eigenlijk? In elk geval een kerk, compleet met klokketoren. De rijzige glas-in-lood ramen in de zijbeuk vervolmaken het beeld niet alleen, de lichtinval is ronduit goddelijk. Het statige entree en de ornamenten doen vermoeden dat het pand een belangrijke openbare functie herbergt: ook het trappenhuis werkt daaraan mee. De school herbergt minstens ook één representatief gebouw, zoals een stadhuis. Het trappenhuis móet overigens wel een hommage aan Berlage zijn, anders zou Dudok tegen een serieus auteursrechtelijk probleem aangelopen zijn, getuige ook de onmiskenbare Berlagiaanse pakhuizen, de eerder genoemde verwijzing naar grachtenpanden;  het enige dat de geschakelde, zichzelf herhalende gevels missen, zijn hijshaken. Dan is er een tunnel onder een heuse slottoren, die naar een binnenplaats voert. Deze verwijzing naar een kasteel completeert het geheel, nog afgezien van een olifant, zandlopers, sleutels, de verdwenen heklamp uit duizend-en-een-nacht, die helaas de tand der tijds niet heeft doorstaan, geplaatst op de hoek en daarmee het accent vormend dat eerder ter sprake kwam. Het zegt overigens veel over onze tijd dat het risico om dit kroonjuweel terug te plaatsen, niet overwogen kan worden, wat de vraag rechtvaardigt in hoeverre de huidige leerlingen van het college zich bewust zijn van hun privilege, lessen te volgen in een gebouw dat twee van onze grootste bouwmeesters in zich verenigt.

Het entree, de hal, het trappenhuis, de zoldering: de vormgeving ademt stijl, klasse en tegelijk een les in nederigheid: dat al deze varianten en verfijning met zoiets simpels als een baksteen bereikt konden worden: iets dat zeker ook geldt voor het uiterlijk van de school. Op het eerste gezicht doet het exterieur van het gebouw met zijn Eftelingtorentje grauwig en gedateerd aan, maar hier geldt: hoe langer je kijkt, hoe verfijnder de baksteenrode trui blijkt te zijn.

De indruk zou nu gewekt kunnen zijn dat een gebouw met twee vaders en talloze stedenbouwkundige en kleding gerelateerde verwijzingen, niet anders dan versnipperd kan zijn. Zeker als je chronische factoren als detonerende reparaties, misplaatste bouwkundige aanpassingen, zoals het verwijderen van de heklamp en de gemetselde siertorentjes op de trap, en de woekering van groen, hierbij optelt.

Toch is het tegenovergestelde het geval. Het gebouw vormt een solide geheel, met een eigen sfeer, een perfecte totaalharmonie. Wat de school vooral laat zien is de inspanning en de arbeidsvreugde van de vaklui die zich met het breien ervan hebben beziggehouden: een goede trui houdt warm, en dat is precies het effect: de warmte straalt van de school af.

De vraag is gerechtvaardigd of Dudok een meesterwerk achterliet. Het grote gebaar van het Raadhuis van Hilversum, vinden we in Leiden niet terug.  Het Raadhuis is volkomen regenpijp vrij, om maar iets te noemen; bij het Bonaventuracollege zijn het ongewild dominante verticalen. Wel blijft het Leidse gebouw interessant in zijn uitwerking, subtiel en onopvallend, rijker aan details ook, hoewel die zich echter pas na langer kijken manifesteren. De helderheid  van de latere Dudok smoort hier nog in bewondering voor Berlage, maar dat het Bonaventuracollege het werk van een opkomend talent is, blijkt uit alles.